Wie in Zoetermeer ’s nachts langs de Europaweg rijdt, weet hoe het gaat: het asfalt glanst, de lichten lijken onschuldig, en tóch ligt er een valkuil die we met z’n allen keurig over het hoofd zien. Vannacht, rond 01.15 uur, werd die valkuil weer zichtbaar in de hardst mogelijke taal. Een eenzijdig ongeval, een bestuurder die het niet navertelt, en een stad die wakker schrikt, twee minuten zwijgt en daarna weer netjes inslaapt.
De nacht, de weg, de cijfers
Het etiket “eenzijdig” klinkt geruststellend, bijna administratief: niemand anders schuldig, dossier dicht. Wat een opluchting. De weg ademt door, de borden blijven vriendelijk reflecteren, en wij kunnen doen alsof snelheid slechts een getal is en bochten keurige beleefdheidsformuliertjes. Maar asfalt heeft geheugen. Elke hectometer kent een verhaal van haast, kruimels van beleid en de stille afspraak dat een beetje risico nu eenmaal hoort bij moderne bewegingsvrijheid. Tot het niet meer “een beetje” is.
De reflex van bestuurders en pers
Eerst komt het onderzoek, daarna de verklaring, en pas veel later de verantwoordelijkheid. We horen het riedeltje al voordat de blauwflitsen uitdoven: “we kijken nergens op vooruit”, “te vroeg voor conclusies”, “de weg is weer vrij”. Intussen stapelen we bloemen op de berm alsof het beleid daar ook ooit zal afslaan. De pers dient het nieuws lauw op, met een schep koude clichés en een foto vol nat asfalt, want nat asfalt wekt zo heerlijk empathische klikzucht op.
Wat we niet willen horen
Dat de Europaweg ’s nachts misschien minder op een doorgang en meer op een uitnodiging lijkt. Dat ontwerpkeuzes niet neutraal zijn, dat markeringen vertellen hoe hard je móét rijden, en dat verlichting soms vooral snelheid fluistert. Dat “eenzijdig” zelden werkelijk eenzijdig is: er staat altijd een systeem aan de andere kant van de botsing, met meetlatten, budgetten en een handtekening onder “voldoende veilig”. We willen verdriet zonder afzender; het leest prettiger.
Aan het eind blijft een lege stoel, een dossiernummer, en een weg die morgennacht exact dezelfde beloftes fluistert. Misschien is het tijd om onze heldere verontwaardiging in te ruilen voor duistere eerlijkheid: waar sturen we, hoe verleiden we, welke snelheid vangen we stilzwijgend in beton? De stad is niet schuldig, maar ze is ook niet onschuldig; ze is een afspraak die we elke dag herhalen. Als we harder willen leven, zullen we preciezer moeten ontwerpen. Anders schrijft de nacht verder. Tot iemand het weer leest als een routebeschrijving.


















